Verhalenarchief
 
Fragment uit De Muur 15
Fragment Hoofdstuk 2 Survival

HET WAS elf uur in de avond, dag drie van de eerste kennismaking. Militairen stormden met veel machtsvertoon het bungalowpark van Aalborg binnen. De bowlingwedstrijd werd abrupt afgebroken. Het was muisstil.

Degenen die al langer voor CSC fietsten, wisten wat het betekende als Bjarne S. Christiansen, kortweg BS, het commando nam. Wie te veel had gedronken, beklaagde zich nu al. Wie te weinig had gegeten ook. Het veelbesproken survivalkamp in het waterkoude noorden van Denemarken stond op punt van beginnen, een etmaal eerder dan voorzien. Om de deelnemers in verwarring te brengen.

Karsten Kroon was vooraf gewaarschuwd. Hij kende het verhaal van Ivan Basso die op Lanzarote bovenaan een klif stond te beven als een rietje omdat hij midden in de nacht vijftien meter naar beneden moest springen. Het was niet de diepte die hem angst aanjoeg. Het was het water. Basso kon niet zwemmen en moest erop vertrouwen dat zijn teamgenoten hem na zijn duik te hulp zouden schieten.

Lange tijd werd Riis uitgelachen om zijn survivalkamp. Samen een vlot bouwen, vuur maken of wand klimmen, dat was iets voor onhandelbare pubers of schoolreisjes. Zoiets paste niet in het wielrennen. Teamgeest werd er niet gezien als een sleutel tot succes. Fietsen bleef per slot van rekening een individuele sport. En renners moesten gewoon doen wat hen werd opgedragen. Daar kregen ze voor betaald.

Dit seizoen leek het peloton verdeeld over het nut van teambuilding. T-Mobile had ook ineens besloten samen op kamp te gaan. Het ging er weliswaar minder uitputtend en militaristisch aan toe dan bij CSC, maar zelfs Jan Ullrich deed mee en had schik voor tien.

Kroon wist op de eerste zondag van december niet goed wat hij ervan moest denken. Het ging er bij zijn nieuwe ploeg duidelijk anders aan toe dan hij gewend was. Nooit had hij kunnen denken dat zijn metamorfose als wielrenner in een legergroen pak op Jutland zou beginnen.

Maar de uitdaging stond hem aan, dat was waarom hij voor CSC had gekozen. Omdat wat ze deden onconventioneel was en hij wel eens wilde weten welke uitwerking de filosofie van Riis op hem en de ploeg zou hebben.

Hij had er in Aalborg al een zogenoemde Philosophy and Values meeting op zitten. Dat was niet iets waarvoor renners onmiddellijk warm liepen. Die waren pragmatisch. Maar de twee uur durende bijeenkomst hoorde erbij, ook dat wist Kroon toen hij zijn handtekening bij Riis zette.

De Deen stond erom bekend zijn ploeg op een voor wielrennen revolutionaire wijze te leiden. Zijn uitgangspunten leken vanzelfsprekend, de manier waarop er aan werd gewerkt niet. Riis probeerde zijn renners ervan te overtuigen dat ze toegewijd moesten zijn aan hun leven als prof en hen bewust te maken van het nut zich voortdurend te verbeteren. Wie zich niet ontwikkelde, nam bij voorbaat al genoegen met een nederlaag.

Zijn filosofie steunde op vier kernwaarden: hard zijn voor jezelf (just do it), respect hebben voor anderen (respect others for their uniqueness and efforts), trouw zijn aan je team en collega’s (be loyal), en communiceren (say it or nobody will know). Om zijn renners daar voortdurend aan te herinneren hing een tekening ervan in de camper en de teambus.

De uitgangspunten kwamen uit het leger. Het briefingschema dat daar werd gehanteerd, was door BS herschreven voor een wielerploeg. Hoe staat het met de vijand, hoe is het met ons, wat is de missie, hoe bereiken we ons doel, verandert het weer? Voor elke koers nam Riis het schema uitgebreid door. Geen vraag werd overgeslagen. Iedereen kende zijn taak en niemand fietste doelloos van a naar b.

Riis begreep goed dat het niet vanzelfsprekend was dat een ploeg met twaalf nationaliteiten als een collectief zou functioneren. Doel van het overlevingskamp was dan ook de snelle integratie van nieuwe renners en de creatie van een goede teamgeest. In het noorden van Denemarken werd door CSC het fundament voor het seizoen gestort. Niet alleen de renners waren verplicht deel te nemen, ook de rest van het personeel deed mee.

‘Ik neem de temperatuur op, en als die te zeer stijgt, grijp ik in’, zei BS over zijn rol in het geheel. Hij maakte 28 jaar deel uit van de speciale strijdkrachten in Denemarken en had in alle brandhaarden van de wereld gevochten. Nu was hij de bewaker van de filosofie van CSC en gespecialiseerd in krachtige one-liners. ‘Wie geen risico durft te nemen, zal ook nooit de vrijheid vinden’, was een van zijn favorieten.

Kroon toonde zich nieuwsgierig. Het proces intrigeerde hem. Hij was veel te nuchter om zich onmiddellijk en zonder zich vragen te stellen onder te dompelen in allerlei strijdkreten en militaire gewoonten. Hij keek graag de kat uit de boom. Maar dat er bij zijn nieuwe ploeg werd nagedacht over de vraag hoe men nog beter kon worden, stemde hem al snel tevreden.

Hij was benieuwd naar wat Riis werkelijk voor ogen had en of wielrenners daar ontvankelijk voor waren. Hij dacht eerlijk gezegd van niet. Topsporters waren bovenal individualisten. Maar dat zijn nieuwe baas met die stelling de strijd durfde aan te gaan, pleitte alvast voor hem.

Op Jutland maakte hij voor het eerst kennis met zijn nieuwe ploegmaats en vestigde onmiddellijk zijn naam. De zeven nieuwelingen moesten zich op de eerste avond bewijzen tijdens een drinkwedstrijd. Topsporters, gewend aan een gematigd, monotoon en gezond eet- en drinkpatroon, vonden dat om de een of andere reden altijd leuk en origineel. Ze bleken vaak ook veel betere drinkers dan menigeen dacht.

De concurrentie kwam van Fabian Cancellara, Volodymir Goestov, Kasper Klostergaard, Inigo Cuesta, Martin Pedersen en tot schrik van Kroon ook van Stuart O’Grady. Een Australiër onder de tafel drinken gold in het peloton als een bijzondere prestatie. Zeker als hij ook nog een reputatie had, zoals O’Grady.

Kroon was als ex-student wel iets gewend en liet zich niet kennen. Hij werd in eerste instantie zelfs tot winnaar gekroond, maar daarna gediskwalificeerd omdat scheidsrechter Jacob Piil in een van zijn blikjes nog een bodempje alcohol ontwaarde. Zijn ploegmaats hesen alsnog O’Grady op het schild. Op de Tirolerparty spoelde Kroon later die avond de teleurstelling weg. Met nog meer alcohol.

Een etmaal later deelde BS de groep van zestig in zessen op. In de sporthal moest iedereen zijn uitrusting voor de komende drie dagen bij elkaar zoeken. Een halfuur kregen ze ervoor. Alle privé-bezittingen werden afgegeven of afgenomen. Alleen schoenen, mutsen, sjaals, lampen en handschoenen waren als bepakking toegestaan.

Tegen middernacht waren alle renners uitgedost als soldaten, klaar om ten strijde te trekken. Zo op het eerste gezicht hoefde geen vijand schrik te hebben voor de frêle mannetjes. Misschien dat de robuuste Giovanni Lombardi ooit de trekker van een geweer durfde over te halen, of O’Grady. De overige strijdkrachten wekten de indruk tijdens een vuurgevecht liever een blokje om te gaan.

Er waren er ook die de overlevingstochten van Riis haatten. Toen Michele Bartoli, oud-winnaar van onder meer de Ronde van Vlaanderen, bij CSC een uitnodiging kreeg voor zijn tweede survivalkamp, zette hij onmiddellijk een punt achter zijn carrière. De Italiaan had op 34-jarige leeftijd geen zin meer om nog eens soldaatje te spelen. Hij wilde zich op zijn eigen manier op het seizoen voorbereiden en anders maar niet. Zijn baas bleek onvermurwbaar.

Bartoli leerde Riis daarmee tegelijkertijd een belangrijke les, beweerde de Deen. Italianen, de meeste toch, liepen liever de kantjes eraf als het op zwaar werk aankwam. Lombardi bevestigde bij het pakken van de rugzakken die regel. Hij probeerde chocoladerepen mee te smokkelen. Hij kon ook niet weten dat Riis hem scherper dan de anderen in de gaten hield.

De clown werd op heterdaad betrapt en zou later boeten voor zijn ongehoorzaamheid.

In de haven verdeelden BS en Riis de zes teams over twee zeilboten. De regen gutste uit de lucht en aan dek sneed de ijskoude wind overal doorheen. Maar het was verboden benedendeks te gaan. Lombardi had al aangetoond dat aan de regels met geen mogelijkheid te tornen viel. En dat vals spel werd bestraft.

Op de schoener Lovise werd het roer aan Basso toegewezen. De kopman moest zijn boot in het pikkedonker door het Lim-fjord leiden, alsof de Tour van 2006 al was begonnen. Alle handen waren nodig om de boot snelheid te geven. Zijn vertrouwde knechten stonden paraat.

Van de beoogde opzet kwam echter niets terecht. En het was de schuld van de schipper zelf.

De Italiaan leerde door de jaren heen van zich af te bijten. Van een timide renner hadden ze hem bij CSC omgeturnd tot een zelfverzekerde kopman. Maar op Deense wateren verviel hij in een oude fout. Basso stond toe dat zijn teamgenoten een ander zeil hesen dan hij had bevolen. Riis zag het gebeuren. Hij kookte van woede, schudde zijn hoofd, maar wendde zich uiteindelijk af. Er viel geen onvertogen woord.

Kroon, die door Riis als een van de teamcaptains was aangewezen, nestelde zich met zijn slaapmatje ondertussen op een plek uit de wind. Masseuse Nathalie hoefde niet lang na te denken over zijn vraag of iemand bij hem wilde liggen zodat ze elkaar warm konden houden. Ze kleumden desondanks van de kou.

‘Wie het hier te koud vindt, moet maar terugdenken aan de wedstrijd in Zürich. Zeven graden en de hele tijd in de regen fietsen met maar een dun hemdje aan. Dat was pas koud’, veegde Riis alle klachten van tafel.

De renners dachten er het hunne van. De onzekerheid knaagde aan hen. Op BS, Riis, een aantal militairen en een lijfwacht van de Deense koninklijke familie na, wist niemand waar de reis naartoe ging en wat hen te wachten stond. Ze wisten alleen dat het uitputtend, zenuwslopend en pijnlijk zou worden.

‘Niet weten hoe het verder loopt, zet de jongens onder druk’, legde BS uit. ‘Dat is precies wat we willen. Het helpt ons hun ware aard te leren kennen.’ Tijdens het eerste deel van zijn programma werd iedereen gedwongen uit zijn schulp te kruipen. Daartoe moesten ze worden uitgeput. In het tweede deel zette BS de deelnemers individueel onder druk. En tenslotte moesten ze zich als team bewijzen. ‘Tegen die tijd zijn ze zo moe dat hun hersens niet meer normaal functioneren, net als aan het einde van een zware wedstrijd’, zei de commando zonder een spoor van emotie.

Na een zeilreis van twee uur gingen de zes groepen op een eilandje aan land. Daar moest een jerrycan met dertig liter water  worden meegesjouwd. Maar samen dragen ging niet. Om en om gooiden ze daarom het gewicht in hun nek, op de rugzak die zo’n vijftien kilo woog. Niet iedereen bleek even behulpzaam. Teamgeest werd hier al op verschillende manieren geïnterpreteerd, merkte Kroon.

Anderhalf uur later, om drie uur ’s nachts, bereikten ze hun slaapplaats, in een donker bos. Ze hadden geen tent, alleen een slaapzak, een zeiltje, een waterdichte hoes en wat haringen. Kroon zocht wederom masseuse Nathalie op. Ze deden precies wat Riis en BS beoogden: ze hielpen elkaar uit de brand. Haar zeil diende als dak, dat van hem als vloermat.

‘Wij zeggen altijd: als je geen controle hebt over de situatie, zorg dan dat je controle hebt over jezelf’, zei BS over zijn bedoelingen. ‘Ze moeten zichzelf vragen stellen: wat doe ik als ik problemen heb en hoe vraag ik om hulp?’

Na een korte nachtrust schreeuwde een militair het kamp wakker. De dag werd weer op het water doorgebracht, zeilen was immers de ultieme vorm van samenwerken. Kroon vermaakte zich er uitstekend mee. Hij had het eerder gedaan. Zijn vriendin Anne Lefevre was ooit Belgisch kampioen geworden. Wel verloor hij aan het einde van de dag met zijn ploeg de strijd van kapitein Basso, wiens boot lichter en sneller was.

Een kwartier kregen de troepen, weer aan land, om op adem te komen. Daarna ging het drie uur lang over mul zand en keien. Blaren tekenden zich af op de voeten. Vermoeidheid sloop in de benen. Er werd binnensmonds gevloekt.

Wielrenners liepen normaal gesproken nooit verder dan naar het toilet. De theorie zei dat lopen slecht was voor de spieren. Over een goed oriëntatievermogen beschikten ze daardoor doorgaans ook niet.

Riis kende het vaste ritueel van een wielrenner. Hij verwachtte niet anders dan dat ze uiteindelijk zouden klagen. Hij nam deze keer zelf niet aan de oefeningen deel. In het verleden deed hij dat nog wel eens. Maar nu wilde hij alleen maar observeren. Dit was zíjn ploeg en hij voelde zich niet langer alleen de manager, maar ook de coach, de psycholoog en de motivator.

Zo kon hij Kroon een moment apart nemen om hem te vragen hoe het met Volodymir Goestov ging. ‘Wordt die wel door jullie geaccepteerd?’, vroeg hij zijn nieuwe aanwinst die eerlijk was en zei dat hij eigenlijk geen idee had. Goestov sprak Russisch en Italiaans en dat waren uitgerekend de talen die Kroon niet beheerste.

De strenge Riis wees Kroon op zijn verantwoordelijkheid. Een goede leider nam niet alleen beslissingen, een goede leider moest ook zorgen dat iedereen erbij hoorde en zich thuis voelde. ‘Bjarne heeft gelijk. Ik moet met Goestov praten. Al vraag ik maar gewoon hoe het met hem gaat’, zei Kroon schuldbewust.

Riis leerde zijn renners zichzelf beter te kennen. Dat vond de Drent waardevol. Dat was waarnaar hij op zoek was in het leven. Hij wilde zichzelf doorgronden, weten waarom een mens was zoals hij was. Riis had lang niet altijd gelijk, maar de Deen dwong hem wel na te denken.

Uit het verleden waren hem verschillende gedaantes van zijn baas bijgebleven. Kroon zag Riis nog zo de Amstel Gold Race (1997) winnen in de gutsende regen en na een magistrale solo. Ook herinnerde hij zich de uitgemergelde renner die werd geklopt in de Henninger Turm. Maar die twee maanden later wel de Tour won.

Het beeld dat Riis het meest typeerde, vond Kroon dat van de gefrustreerde renner die op de voorlaatste dag in de Tour van 1997 zijn peperdure tijdritfiets woedend in de berm smeet. De passie droop van dat beeld. Ondeugdelijk materiaal, daarmee moest je bij Riis niet aankomen.

De ontwikkeling en de productie van die weggesmeten fiets, bijgenaamd ‘de zwaan’, hadden ruim vijftigduizend euro gekost. Aan de vooravond van de proloog was het nieuwe materiaal nog afgekeurd door de technische commissie van de UCI. Na een aanpassing van het achterwiel mocht Riis er drie weken later alsnog mee van start. Maar een defect versnellingsapparaat en een aanlopende rem zorgden ervoor dat hij onderweg zelfs werd ingehaald door de zes minuten later gestarte Abraham Olano. Het was de ultieme vernedering.

De Deen wilde van alles alleen maar het beste, ook voor zijn eigen ploeg. Toen Kroon hem in het najaar ging opzoeken in diens kapitale villa in het Italiaanse Lucca, struikelde die bij binnenkomst over een berg wielerschoenen. Riis zocht een nieuwe sponsor. En niet het geld zou de doorslag geven, maar de kwaliteit. Hij schroefde plaatjes onder de schoenen van Specialized, Diadora en Sidi en probeerde zelf alles uit. Het leidde uiteindelijk tot een contract met Sidi.

Renners kwamen bij Riis in een gespreid bedje. Ze hoefden zelf niet op zoek naar iets dat beter was. Ze kregen al het beste. In Aalborg hadden mecaniciens Kroon zijn nieuwe Cervélo-fiets overhandigd. Het in het Canadese Toronto gevestigde bedrijf genoot dankzij CSC inmiddels internationale bekendheid. De naam was een samentrekking van cervello, Italiaans voor hersenen, en vélo, Frans voor fiets.

Voor Kroon was het liefde op het eerste gezicht. De fiets voelde licht en stijf aan en stuurde fantastisch. Dat alle profploegen over geweldig materiaal beschikten, dat beeld klopte volgens hem niet. Het was een logische, maar verkeerde vooronderstelling.

Voorlopig noemde Kroon het materiaal het grootste verschil tussen CSC en Rabobank, waar Colnago de fietsen leverde. Bij Cervélo werd aan alle details gewerkt. Dat was belangrijk. Een wielrenner wilde niet het gevoel hebben dat de concurrentie harder ging omdat die over beter materiaal beschikte. Een prachtig frame, de nieuwste wielen, de beste derailleur: het had ook een psychologisch effect. Het was dát wat het verschil kon maken. Kroon en Riis zaten wat dat betreft op één lijn.

De nieuwe aanwinst maakte al indruk op zijn baas toen hij in het najaar van 2005 vroeg of hij op bezoek mocht komen in Italië. Kroon had behoefte aan een gesprek. Hij wilde Riis over zijn ambities vertellen en weten wat die van hem verwachtte. De Deen was verbaasd. Nog nooit had een nieuweling in de ploeg gevraagd of hij op audiëntie mocht komen in Lucca. ‘Hoeveel renners doen dat ook in november?’, vroeg Riis zich een aantal maanden later hardop af. De meeste genoten dan nog van hun vakantie en wilden niet worden lastiggevallen over het komende seizoen.

‘Hij nam het serieus’, zei Riis die respect kreeg voor Kroon. ‘Het was de eerste keer dat ik dacht: wow, hier heb ik misschien iets heel speciaals.’

Kroon bleef een paar dagen in Toscane. Ze fietsten samen, praatten uren achtereen, dineerden uitgebreid en dronken een goed glas wijn. Ze filosofeerden over het wielrennen en over hoe een ploeg zou moeten functioneren. Maar ook over andere dingen. ‘Het is belangrijk om over iets anders te praten dan over fietsen’, vond Riis. ‘Ik wil horen wat zijn levensstijl is, hoe hij de dingen ziet en benadert.’

Kroon paste in zijn ploeg, daarvan was Riis onmiddellijk  overtuigd. Toen de renner hem eerder had gevraagd of er voor hem misschien een plaatsje was bij CSC, was hij nog huiverig geweest. Kroon zat weliswaar mooi op zijn fiets, kon meer dan hij tot nu toe had laten zien en Riis wilde graag een Nederlander aan zijn internationale gezelschap toevoegen. Maar hij kende ook de mentaliteit van de Nederlandse renners. ‘Die zijn niet gemakkelijk en passen daarmee niet goed in wat wij bij CSC doen. Ze zijn egoïstisch.’ De kennismaking in Toscane stelde Riis gerust.

De Deen vroeg nieuwe renners tijdens een eerste gesprek vaak naar het doel in hun leven. Hij wilde weten waarom ze waren gaan fietsen. ‘Ik hoef geen gedetailleerd antwoord, maar je moet wel een bepaalde levensstijl hebben. Je moet weten waarom je iets doet in het leven, je moet je er bewust van zijn’, legde hij uit.

Doelloosheid was een zonde bij CSC. Die boodschap werd tijdens de uitputtende trektocht door het Deense bos in den treuren herhaald. Maar ze kwam bij de troepen steeds slechter over. De vermoeidheid begon vat te krijgen op het gemoed van de mannen.

Zelfs Kroon had in de natte en koude nacht de neiging gehad zijn plunjezak weg te gooien. De wind was guur en stevig. Tijd om te eten kregen ze nauwelijks. Het voedselpakket nodigde er trouwens ook niet echt toe uit. En slapen deed hij ook al weinig. De grens was wat hem betreft bereikt. Maar hij moest mee. Afhaken zou gezichtsverlies zijn.

Kroon bleek zo moe dat hij zich omdraaide en verder sliep toen Kalle Flebbe midden in de nacht alle levende wezens in het bos wakker gilde en krijste. Het was vast een grap, dacht de Nederlander. Of hij hoopte het.

De volgende ochtend werd duidelijk dat de manueel therapeut van de ploeg – voorheen elektricien, sergeant van de luchtmacht en piloot in de Verenigde Staten – ten onder was gegaan aan de stress. Hij was afgevoerd. Weer een ander haakte af na een koortsaanval. En dat terwijl de survival pas een etmaal op streek was.

BS meende dat zijn troepen er nog te fris uitzagen. Hij paste spontaan het programma aan. In plaats van rustig naar het vasteland terug te varen klommen ze even na middernacht weer aan boord van de oude schoeners. Om vijf uur kwam er eindelijk land in zicht. In de warme en droge bus, op weg naar de dierentuin van Ebeltoft, dommelde iedereen in slaap.

Bij aankomst wachtte een uitgebreid ontbijt. BS waarschuwde. Veel eten, want de missie nog niet volbracht, zei hij met barse stem. Hij splitste de aanwezigen op in nieuwe groepen van acht, die ieder acht opdrachten van een uur moesten volbrengen. Na de fysieke stress vond BS het tijd geworden voor psychische stress.

Angst was het Leitmotiv. Niemand kon eraan ontsnappen. ‘Want alleen in zo’n situatie maakt het niet uit hoeveel miljoenen je op de bank hebt, hoeveel auto’s in de garage staan en hoeveel vrouwen je hebt. Er is veel karakter en moed voor nodig om toe te geven dat je bang bent’, zei de ervaren en veelvuldig onderscheiden commando. ‘Wij willen graag dat ze toegeven dat ze angsten hebben. Want alleen als je jezelf niet voor de gek houdt, kunnen wij helpen.’

Kroon liet zich daarom niet vermurwen toen hem werd gevraagd zijn hand in een bak met spinnen te steken. Hij háátte spinnen. Van kindsbeen had hij daar al een gruwelijke afkeer van. De slangen daarentegen sloeg hij wel probleemloos om zijn nek. In tegenstelling tot Bobby Julich. Het was Basso die de Amerikaan uiteindelijk overhaalde. Riis kon zijn geluk niet op. ‘Doe het nou maar’, zei Basso tegen de knecht die hem over een half jaar naar zijn eerste Tourzege moest leiden. ‘Denk maar dat alleen daardoor het nieuwe seizoen een succes kan worden.’

De onbetwiste kopman had niet op iedereen zoveel invloed. Zijn vriend Lombardi weigerde door een ondergronds doolhof, van zo’n dertig centimeter hoog, te kruipen. ‘De manier waarop ze zich hier gedragen is hetzelfde als de manier waarop ze zich in de Tour gedragen’, vertelde BS. ‘De mensen die sterk zijn, willen helpen en altijd een uitweg blijven zien, zijn dezelfde als die straks in Frankrijk de ploeg op sleeptouw nemen. En de jongens die boos worden en in zichzelf gekeerd raken, zal dat ook op de fiets zijn overkomen.’

De renners, ploegleiders, soigneurs, mecaniciens, dokters en secretaresses renden over een stormbaan, staken via een staalkabel een meer over, klauterden over horizontale balken, klommen in palen en crosten in een Landrover door een bos. Bij die laatste opdracht moest de geblinddoekte bestuurder zijn lot in handen leggen van de bijrijder. Dat was voor een wielrenner geen vanzelfsprekendheid.

Kroon vermaakte zich uitstekend. Hij hield van een beetje avontuur. In zijn vakanties lag hij ook nooit op het strand.

Terug in het bungalowpark strompelde iedereen opgelucht naar de douches en een bed. Ze hadden de gruwelen van de veeleisende BS overleefd. Maar de euforie duurde nog geen uur. Want dertig fietsen stonden klaar voor de tocht terug van Aalborg naar Aarhus, een martelgang van 130 kilometer, bij een temperatuur van één graad Celsius en regen, hagelbuien en harde zijwind. Tien renners haalden de finish niet.

Kroon beet door. Hij was gaan geloven in het nut van de overlevingstocht. Er was onmiskenbaar een groepssfeer ontstaan, iedereen wist wat hij aan een ander had. Hij ondervond aan den lijve hoe gemakkelijk en zinvol het was samen te werken. Bovendien verzamelden ze in een paar dagen genoeg anekdotes voor een seizoen lang plezier.

Bij het afscheid kreeg Kroon zijn wedstrijdprogramma mee. Zijn hele jaarplanning stond al ingevuld. Hij lachte stilletjes in zichzelf. Bij Rabobank werd nooit langer dan drie weken vooruit gepland.

Zijn motivatie en ambities waren nog groter geworden. Over ruim een maand zouden ze elkaar weer zien, voor een volgend trainingskamp. Maar de wandelschoenen konden thuisblijven. Naar Toscane mocht hij zijn splinternieuwe fiets meebrengen.