Verhalenarchief
 
Mijn nachten met YouTube - Bert Wagendorp

Ik wil weten wat Parijs-Roubaix is op YouTube. YouTube, het visuele geheugen van de internetgeneratie, de vergaarbak van beelden die vroeger in je kop zaten, maar die je nu met een paar klikken kunt oproepen – de harde schijven van Google zullen binnenkort de opslagcapaciteit van onze hersenen overbodig maken.

Duizend filmpjes heb ik in mijn hoofd, tienduizend. Ergens schuilen gedetailleerde beelden van tientallen klassiekers, Touretappes en onbestemde fragmenten van het peloton of eenzame ontsnapten – beelden die niet zijn gelabeld maar die soms zomaar voorbij komen.

Maar hoe moet ik ze tonen? Ik kan ze hooguit beschrijven: sprint van het peloton in de Tour de France, Armentières 1994, links een agent, een renner die de agent niet meer kan ontwijken en een hemeltergende botsing, een salto, erachter ook vallende renners – kijk dan! Jesusgristus man, ik kan er nog altijd niet naar kijken. Hoe die Nelissen op het asfalt smakt en achter hem Jalabert.

Die Nelissen had de tandwielen in zijn kop staan, wist je dat? Zie je niet op die film natuurlijk, maar dat hoorde ik later en nu zie ik het toch gruwelijk scherp voor me. Hij heeft de tanden van de twaalf in zijn wang, zijn er dwars doorheen gegaan, als een Singer naaimachine door een lapje katoen.

Kijk dan!

Kijk dan? Kijk dan? Waar moet ik kijken?

Hier:

de code van mijn hulpgeheugen, de film van vijftien jaar terug, haarscherp in beeld en ook nog met Italiaans commentaar – dat zat er niet bij, in mijn hoofd.

Parijs-Roubaix wil ik zien.

De beelden van Parijs-Roubaix die in mijn hoofd staan gegrift: Planckaert en Bauer, Ballerini en Duclos-Lasalle, Backstedt en Hoffman. Raas, Museeuw, Tsjmil, Knaven, Van Petegem, Boonen.

En Kuiper, natuurlijk, Hennie Kuiper. Hoe die daar stond, met zijn lekke band. En wat Mart Smeets allemaal riep, vooral heel vaak ‘Oh!’ riep-ie, dat herinner ik me nog wel, Mart die maar ‘Oh!’ riep, alsof ‘Oh’ de toverformule was die Hennie een nieuw wiel moest bezorgen.

‘Oh! Wat is dit erg! Oh! Oh!’

Ja, nu weten we het wel Mart, probeer eens iets anders, abacadabra of zo.

Dat filmpje van Hennie Kuiper zit nog zeker in de hoofden van drie miljoen Nederlanders, als het er niet meer zijn, maar het is natuurlijk al wel weer 26 jaar geleden, dus het kan hier en daar gewist zijn, verbrand in het crematorium of opgevreten door de wormen.

Maar bij mij is het nog scherp hoor, ik zie ’m staan, onze Hennie, en ik zie mezelf trouwens ook weer staan, te schreeuwen voor de televisie, van dat ze Hennie nu wel even héél snel een wiel moesten geven of dat er anders ongelukken zouden gebeuren. Dubbele, driedubbele beelden zijn het, van mezelf, van de televisie en van Hennie.

Ik ben er later nog een keer wezen kijken, op de plek waar Hennie stond te roepen. Leek er niet op. Miezerig stukje Noord-Frankrijk, absoluut niet het décor van een dramatische sportfilm, die ziet er heel anders uit, in mijn hoofd, héél anders, groter, dreigender en zonder dat miezerige greppeltje van niks dat er nu ligt. Een grote gevaarlijke kloof was het.

Herinneringen kleuren de werkelijkheid, ik zie Hennie staan op een immens toneel, alles vertraagt – ja, zo duurt het natuurlijk nóg langer voor onze held is gedepanneerd. Heel lang heb ik Hennie voor me gezien, het kapotte wiel in zijn hand, hoog geheven, als een stormbal, maar dat was dus niet zo, Hennie heeft nooit dat wiel in zijn handen gehad en het al helemaal niet hoog in de lucht gestoken.

Hennie heeft zelf de film ook niet goed in zijn hoofd, die denkt dat het de schuld was an iemand die een foto wilde maken, maar niet al het ongeluk in de wielrennerij kun je op het conto van die ellendelingen met een camera schuiven. Kom op Hennie, dat kun je toch geen sturen meer noemen, dat is gewoon de bocht doorwrikken, die gozer staat bijna op de akker aan de andere kant van de sloot en nog wordt ie bijna overreden door de leider in de koers.

Kijk dan!

‘Oeps, oh, oh, van de fiets af. En nu? Lekke, oh, oh, achterwiel helemaal kapot, oh, waar is de ploegleider? Die is er niet, die is er niet, kijk, wiel, band eraf, oh, wat is dit erg, nieuwe fiets, en die mannen komen nader, oh, wat een drama!’

Hennie wint, mooiste zege uit zijn loopbaan, door die lekke band; zonder drama en dreigende catastrofe krijgt schoonheid geen diepte.

Waar was ik in april 1986? Ik kan het me niet herinneren, de kopgroep, met Kelly, Dhaenens, Vandenhaute, Van der Poel. Allemaal geschrapt, geen indruk gemaakt.

Kijk dan!

Van die zenuwenmuziek kan ik me trouwens ook niets herinneren. Schei uit zeg, Parijs-Roubaix schreeuwt om rock ‘n’ roll, Dire Straits desnoods, maar niet om deze ellendige muzak op het Yamaha wonderorgel. En die commentator from hell moet ook zijn kop houden.

Waarom eindigen ze niet op de baan? Lange rechte aankomst, het lijkt Parijs-Tours wel, maar dat is de andere kant op en in de herfst. Kelly wint, de farmers son from Tipperary, maar waar is Van der Poel?

Had een week eerder de Ronde van Vlaanderen gewonnen, in de sprint van Kelly. Ik wil niks suggereren, 23 jaar na dato met YouTubebeelden, maar hij laat zich er wel héél gemakkelijk afrijden, en zelfs Rudy Dhaenens, de betreurde Rudy Dhaenens, blijft hem voor. Kom op, Poel, dat was niet helemaal in orde, dat kan iedereen zien, op YouTube, geef het nou eindelijk een keer toe.

Na afloop nog wel een interview met Greg LeMond, veel pech gehad, zegt Greg, daar was niet tegen te fietsen. Drie maanden later staat ie aan het vertrek van de Tour de France en na drie weken heeft ie hem gewonnen ook, Greg, en is alle pech van Parijs-Roubaix vergeten.

YouTube is een grabbelton, je toetst Parijs-Roubaix in, of Paris-Roubaix of Parigi-Roubaix, en dan maar kijken wat eruit rolt. Je hoopt op een vergeten filmpje van Josef Fischer uit 1896, dat zomaar ineens op je scherm verschijnt. Een wonder, tot dusver was niet bekend dat ze in 1896 al filmpjes maakten, laat staan van de winnaar van Parijs-Roubaix.

Maar ja hoor, daar is ie, Josef Fischer, de allereerste winnaar, herzlich wilkommen in Roubaix, sehr gut gemacht. Daar is de camera, zeg het maar.

Het gaat nog een keer gebeuren: iemand plukt beelden van de zege van Josef Fischer op 132 lichtjaren van de aarde uit het heelal en zet ze op YouTube.

Nu heeft YouTube wel een groot geheugen, maar het zit vol gaten en het gaat niet ver terug. Het is het geheugen van een Korsakov-lijder, talloze fragmenten in chaos door elkaar heen. Voor het gestructureerde beeldarchief van Parijs-Roubaix zijn we nog aangewezen op de databank in ons brein of op de verbeelding.

Hoe Gaston Rebry drie keer won in de jaren dertig van de vorige eeuw: ongekend. Hoe Henry Pélissier in 1919 tussen de loopgraven doorfietste en langs de kaalgeschoten bomen – het was lente, maar er was nergens een groen blaadje te bekennen, het stonk nog naar lijken langs de route van Parijs-Roubaix.

Tenminste, in mijn film van geuren en kleuren van Parijs-Roubaix 1919.

Jaren veertig, niks. Jaren vijftig, niks. Tenminste, qua Parijs-Roubaix op YouTube dan.

En dan opeens, Peter Post, 1964.

Kijk dan!

Mart Smeets interviewt Peter Post en ‘de leiders duiken de hel van het noorden in. Enkelen vallen, een paar worden ter verzorging opgenomen.’ Zo waren de tijden, je ging niet zwaar gewond naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, onzin allemaal, niet zo overdrijven, ‘ter verzorging opgenomen’ is al erg genoeg. Ter verzorging opgenomen en vermoedelijk overleden.

Raar huppelmuziekje erachter, de Beatles zijn er al en de Rolling Stones ook, maar van dat soort ruwe muziek moeten ze in de sport nog niks hebben, die jonge fratsenmakers van Studio Sport en hun Sport ‘n’ Roll moeten nog geboren worden.

Post, Beheyd, Bockland en Molenaars. ‘In de zojuist genoemde volgorde rijden ze over de streep.’

Het is zover, we hebben Parijs-Roubaix gewonnen. En het staat op film, dus het kan nooit meer uit de geschiedenis worden gewist. Het staat in het collectieve geheugen van YouTube, Peter Post heeft voorgoed Parijs-Roubaix gewonnen, en nog als de wiedeweerga ook, want met een lekker rugwindje rijdt ie een baanrecord.

Jan Janssen, wint in 1967, ook in het geheugen van YouTube gebrand. De streep ligt al bij het binnenrijden van de hel, zegt onze Jan. En ook dit zegt ie: ‘Dat is een stukje kampioen zijn.’ Even terugspoelen: ja hoor, hij zegt het echt.

Merckx, Eddy, drievoudig winnaar. Geen seconde op YouTube. In 1968 wint ie. Een maand later breken ze in Parijs de boel af, maar Merckx wint gewoon Parijs-Roubaix – geen tijd voor barricades, er moet hard gefietst worden. In 1970 wint hij weer en in 1973 nog een keer. Allemaal tevergeefs, er is op YouTube niets van terug te vinden, dus het is maar zeer de vraag of het allemaal echt is gebeurd.

Iemand moet snel de zeges van Eddy Merckx op YouTube zetten, anders hebben we een probleem.

Zegt Merckx: ‘Wanneer ge traag rijdt, krijgt ge veel meer klop dan wanneer ge rap rijdt.’ Kan allemaal best wezen, maar voorlopig staat er een allemachtige hoop Merckx op YouTube, maar geen winnende in Parijs-Roubaix.

Dat zo’n Merckx daar nou niet even zelf mee aan de gang gaat.

Ook geen Jan Raas trouwens op de zender (Parijs-Roubaix 1982). Jan Raas bestaat helemaal niet, op YouTube. Alsof hij zichzelf heeft gewist om levenslange anonimiteit in het café in zijn Zeeuwse dorp te garanderen. Hij is er alleen in een kutlied van ‘de ploeg Post’ dat ‘Wie zijn de vedettes’ heet. Met solozang van Gerry Knetemann. Jan Raas hoor je overigens nergens, nooit een noot gezongen natuurlijk, altijd al weinig behoefte gehad om zichzelf voor gek te zetten, Jan Raas.

Parijs-Roubaix 1981. Het jaar waarin Bernard Hinault wilde bewijzen dat hij ook strontkoersen kon winnen. ‘Attention! Hinault est a terre! Oui, il est a terre!

Kijk dan!

Geen film in mijn hoofd van die Parijs-Roubaix. Alleen het verhaal van Bernard Hinault, die kwam om te winnen en daarna nooit meer terug te keren. Altijd gedacht dat Hinault in een monsterontsnapping iedereen al lang voor de wielerbaan op achterstand had gezet.

Verzinsel van de geest – waar was ik nou weer op de dag van Parijs-Roubaix 1981?

Mooiste kopgroep ooit in La Reine: Moser (drie zeges), De Vlaeminck (drie zeges), Van Calster, Demeyer (één zege), Kuiper (zwanger van een zege) en Hinault, de wereldkampioen.

Hoe moet ie in godsnaam winnen, Hinault, met z’n zwakke knie die ’m ook al de Tour van 1980 heeft gekost? Is ie soms een betere sprinter dan De Vlaeminck of Demeyer?

Hij doet het zo: hij gaat op kop zitten, begint te sprinten en niemand komt er meer overheen. Ook De Vlaeminck niet, Moser niet en Demeyer niet. Marc Demeyer gaat één jaar later dood aan een hartstilstand, maar nu fietst ie nog heel behoorlijk, zij het dus niet hard genoeg voor een tweede overwinning.

Absolute topfinale. Eindelijk een keer een finale van een wielerkoers die níet eindigt in een anticlimax. Het voorspel is voortreffelijk, in de meeste koersen, maar het orgasme is meestal te kort en niet al te heftig. Maar in Parijs-Roubaix 1981 niet, daar is het een heftig klaarkomen met naschokken tot in de vroege avond.

Il nous gagne, il nous gagne!’ De verslaggever van de Franse televisie is best enthousiast, maar op de baan feliciteert niemand Bernard Hinault. Als je godverdomme de mooiste koers ter wereld een strontkoers hebt genoemd, moet je geen felicitaties verwachten van de verslagen minnaars, zo is het natuurlijk wel. Roger De Vlaeminck gaat die arrogante Franse klootzak geen handje geven en Francesco Moser ook niet.

Marc Madiot wint in 1991. Nu is Parijs-Roubaix rock ‘n’ roll geworden, op YouTube. Jankende gitaren in het Bos van Wallers.

Kijk dan!

Te laat voor Ballerini, te laat voor De Wolf, Madiot gaat alleen aankomen op het velodrome van Roubaix.

Nu even serieus. Er is één film over Parijs-Roubaix die alle andere in de schaduw stelt. Geen idee of er eigenlijk meer films over Parijs-Roubaix zijn, maar zo ja, dan stelt A Sunday in Hell ze in de schaduw. A Sunday in Hell is namelijk de beste wielerfilm ooit gemaakt.

Kijk dan!

Is het schoonmaken en prepareren van een ketting ooit mooier, liefdevoller en ontroerender gefilmd? Nee, want het kan niet mooier en ontroerender. Tot Jörgen Leth het in 1976 deed, wisten we niet eens dat je het oliën van een ketting ontroerend kon filmen. Nooit had iemand er bij nagedacht, dat je een kwastje kon laten zien dat een ketting streelt en de derailleur, dat je er het geluid van een cello achter kon zetten, en dat je dan mensen de tranen in de ogen kon bezorgen.

Het is de Benotto-fiets van Francesco Moser die in de touwen hangt. Moser wil Parijs-Roubaix zo graag winnen, en aan de liefde voor zijn ketting kan het nooit hebben gelegen en ook niet aan de zegening van Jörgen Leth, maar hij moet nog even wachten.

Kijk dan!

p>

Danste er ooit iemand sierlijker door de hel? Die kasseien, waren die destijds van rubber of zo?

Niets op YouTube van de drie zeges van Francesco’s grote rivaal, Roger De Vlaeminck. Onrechtvaardig is het, oneerlijk tot en met. Doe er dan wat aan, Roger, als je leven je lief is.

Francesco Moser, drie keer alleen, dat telt. Wij zien het misschien liever anders, op de bank voor de buis, met een mooie sprint à trois of zo, maar de coureur die alleen vooruit Parijs-Roubaix wint, voltooit een kunstwerk en voegt zich tussen de grootmeesters. Zo is het toevallig wel, niet alles hoeft voor het spektakel te wijken. De sereniteit van de eenzame finisher op de baan van Roubaix, nooit is er iemand geweest die dat fijner toonde dan Francesco Moser. Een hele dag ploeteren in de modder, en dan als een Milanese gerant het velodrome opdraaien, het was niemand gegeven, behalve hem.

Maar nu even terug naar 1976, en een Zondag in de Hel.

Wat we zien.

Kijk dan!

p>

Merckx, woedend op jacht achter twee van De Vlaemincks Brooklyn-knechten.

De bebloede kop van een coureur die op de kasseien onderuit is gegaan. De valhelm was nog niet verplicht en echte kerels droegen geen valhelm – niemand in Parijs-Roubaix droeg een valhelm. Valhelmen waren voor homo’s, en die deden dan weer niet mee aan Parijs-Roubaix.

Een heel erg boze Poulidor.

Maertens die afstapt.

Jan Raas.

Walter Planckaert die is gevallen.

Godefroot op kop.

‘A few things have been happening in hell’; zegt de stoïcijnce commentator.

En dan opeens: einde. Op YouTube doen ze niet aan afbouwen, ze draaien opeens de knop om. Zijn ze goed in. Gewoon, rám, afgelopen. Alsof je tegen de kasseien smakt terwijl je juist de winnende strategie hebt gevonden. Maar je kunt nu eenmaal geen complete films op YouTube zetten

Voor wie niet wil lezen hoe het afloopt: de volgende zin niet lezen. (Marc Demeyer wint. Marc Demeyer is een kampioen).

Parijs-Roubaix 1987. De vergankelijkheid van de koploper: Patrick Versluys leidt.

‘Mijn naam is Patrick Versluys. Ooit, in 1987 om precies te zijn, was ik koploper in Parijs-Roubaix. Ik dacht dat ik ging winnen, maar dat mocht helaas niet zo zijn.’

Waar kunnen we een en ander verifiëren?

‘YouTube.’

Kijk dan!

Theo de Rooy is gevallen, maar Eric Vanderaerden wint. Dus Theo is very happy that Eric has won.

Mijn eerste live Parijs-Roubaix: Jean-Marie Wampers wint. Het is 1989.

Kijk dan!

Phil Liggett interviewt de winnaar.

‘Wanneer dacht je te winnen?’

‘Na de finish.’

Daar moet je dan een verhaal mee maken, als debutant in het profpeloton van beroeps-wielerschrijvers.

Een jaar later. Op de zaterdag voor Parijs-Roubaix interview ik Steve Bauer. ‘Je weet nooit hoe het zal gaan’, zegt Steve Bauer.

Kijk dan!

Eddy Plackaert, Edwig van Hooydonck en Steve Bauer in de finale. Op de baan komen opeens Wampers en Gayant erbij, joost mag weten waar ze vandaan komen, vermoedelijk uit het niets.

Hoe zal het gaan? Er is in elk geval één coureur in de kopgroep van wie ik zeker weet dat hij niet weet hoe het zal gaan. Het wordt een sprint tussen Planckaert en Bauer. Het verschil is één centimeter in het voordeel van Planckaert. Het is onrechtvaardig, dat een wedstrijd over meer dan 250 kilometer, waarvan vele over akelige kasseien, wordt beslist met één centimeter.

Vindt Steve Bauer, die nu weet hoe het kan gaan.

Vindt Eddy Planckaert niet, aan de vooravond van een krankzinnig leven waarin niemand meer weet hoe het zal gaan.

Servaes Knaven 2002!

Kijk dan!

De drie man van Mapei 1996.

Kijk dan!

Fréderic Guesdon1997.

Kijk dan!

Duclos-Lasalle 1994.

Kijk dan!

Maar die veel mooiere overwinning van 1993, toen Ballerini na afloop urenlang verbijsterd door de catacomben van het stadion liep, toen hij eindeloos zijn haar kamde om de gekte over de nederlaag het hoofd te bieden, toen hij maar niet kon begrijpen hoe Gilbert DL hem had geflikt, genaaid en te pakken genomen, daarover is op YouTube niets te vinden.

Dat kan zomaar niet!

Parijs-Roubaix 2008.

Tom Veelers heeft al een keer een kei gewonnen.

Kijk dan!

De ploegleider van Tom Veelers over de kansen van Tom Veelers in Parijs-Roubaix 2008.

Kijk dan!

Tom Veelers voor de start van Parijs-Roubaix 2008.

Kijk dan!

Tom Veelers is helemaal kapot na Parijs-Roubaix 2008.

Kijk dan!

http://www.youtube.com/watch?v=JOtItVb2pSc

Reactie Tom Veelers na Parijs-Roubaix 2008.

Kijk dan!

<

‘Het was wel de Hel van het Noorden, zeg maar.’ Goed samengevat door Tom Veelers.

Parijs-Roubaix op YouTube, je voelt de chaos, het is een impressionistisch pandemonium, maar weet je ook wat het is, Parijs-Roubaix, na een nachtje YouTube?

Misschien moet je daarvoor wel de filmpjes bekijken die zijn gemaakt met de mobiel, vanuit het publiek, iedereen is tegenwoordig cameraman en je kunt niet eens meer ongestoord tegen de kasseien smakken en janken als hyena; ze leggen het allemaal vast en knallen het op YouTube.

Kijk dan!

Voor de ziel van Parijs-Roubaix moet je hier even kijken. In een kleine oase van rust in de YouTube-hectiek. Met een begin en een eind. Een klein en bijna woordloos verhaaltje. Hier, op de pavé’s bij Cysoing, sectie nummer zes. Een man met een hondje. Twee hardlopers. Een eenzame fietser. Een man op een driewieler. Drie mensen komen aangewandeld, Het is leeg, zoals het hier altijd leeg is, met uitzondering van één zondag in april, en dat is toevallig vandaag, nu Didier en Philippe Mouchel er hun camera hebben opgesteld voor een filmpje dat Le pavé du calvaire heet. Misschien laat de koers zich daar betrappen.

Kijk dan!

Het begint met leegte, en het eindigt met de laatste twee toeschouwers en de laatste renner in koers, met dreigend achter hem de bezemwagen.

Verdomde Hoffman, ik heb een film in mijn hoofd waarin ie afgetekend wint, echt met een lengte of vier wint ie, moet je ’m zien juichen, die Achterhoekse buffel, eindelijk heeft ie Parijs-Roubaix gewonnen, háhá, ja hoor!

Virtuele film in mijn hoofd is het, nergens terug te vinden, ook niet op YouTube, maar misschien komt het nog, de virtuele film rukt op, ook op YouTube, ooit wint ie hem, jazeker.