Verhalenarchief
 
De wielersport, een gevaarlijke minnares

De wielersport, een gevaarlijke minnares

Er zijn mensen die zich van het wielrennen afkeerden, nadat Floyd Landis in de zomer van 2006 op doping was betrapt in de Tour de France – of al eerder, toen in Spanje Operación Puerto losbarstte en coureurs als Jan Ullrich en Ivan Basso de sterke verdenking op zich hadden geladen wel eens iets te gebruiken dat volgens de dopinglijst niet gebruikt mag worden.

Ze zeiden dat het wielrennen zijn geloofwaardigheid had ingeleverd, dat je niet meer wist of een wedstrijd werd gewonnen door een wielrenner of door een dokter, en dat het daarom voor hen elke aantrekkelijkheid had verloren.

Het leek alsof die zekerheid daarvoor in het wielrennen kennelijk wél had bestaan. Alsof die zekerheid er in het schaatsen, zwemmen, hardlopen of voetbal wél was. Of er in het leven, dat van winnen en verliezen aan elkaar hangt, wél de zekerheid bestaat dat het verschil tussen die twee altijd op natuurlijke wijze tot stand wordt gebracht.

Het verbaasde me, de afkeer die sommige mensen opeens toonden. Het was alsof ze de grote liefde van hun leven verlieten omdat die zich in een wat minder geslaagde broek had gehesen, terwijl toch al jarenlang bekend was dat ze er soms vreemde kleedgewoonten op nahield.

Nooit écht van gehouden, dacht ik. Altijd een beetje would be geweest, die aanhankelijkheid.

Maar daar bleef het niet bij.

De nieuwe sceptici slingerden je ook hun morele gelijk in het gezicht, wanneer je nog wél zeer geboeid naar de koersontwikkelingen zat te kijken. Het was alsof zich een definitieve waterscheiding had voltrokken. Aan de ene kant het goede (zij), aan de andere het kwaad (jij). Er leek iets wezenlijks te zijn veranderd.

Dat verbaasde me ook.

Voor mij heeft het wielrennen niets aan aantrekkingskracht ingeboet. Ik wist al dat er in de wielersport (soms, of misschien ook wel vaak, wie zal het zeggen) dope werd gebruikt, dus ik voel me ook niet verraden, noch heb ik de neiging om een morele banvloek over het cyclisme uit te spreken. Ik wist allang dat we allemaal acteurs in hetzelfde fascinerende theaterstuk waren – het publiek, de journalisten, de coureurs. Een theaterstuk dat een deel van zijn schoonheid juist ontleent aan de onzekerheid of wat je ziet, inderdaad is wat je ziet.

Dit zag ik: Floyd Landis die in de Tour de France van 2006 door het ijs zakte. Het was een schitterende sportdag. Floyd stierf op wonderschone wijze. Het was lang geleden dat ik zo zat te genieten van de ondergang van een strijder.

Dit zag ik ook: Floyd Landis die herrees, één dag na zijn ondergang. Het was wéér een schitterende sportdag, een nóg mooiere misschien, omdat we zagen hoe een mens zichzelf kan overwinnen, altijd een van de allermooiste beelden uit de sport.

Landis deed dat in de eerste plaats op basis van zijn grote talent als wielrenner. In de tweede plaats speelde zijn magistrale mentaliteit een voorname rol, en de bijna religieuze toewijding aan zijn doel: het winnen van de Tour de France.

En wellicht had Floyds dokter er iets mee te maken – al zegt Floyd van niet. Maar áls de dokter erbij betrokken was, deed hij dat hoe dan ook in een bijrol. Doping speelt altíjd een bijrol. Wanneer je met de juiste middelen de beslissende etappe in de Tour zou kunnen winnen, dan begrijp ik de honderden verliezers niet die de zege dus kennelijk bewust lieten lopen. Wie gelooft dat Landis de etappe won dankzij een drankje of een pilletje, gelooft ook in de historiciteit van de wonderdrank van Asterix en Obelix.

Zelfs Bjarne Riis, die in 1996 volgens iedereen de Tour won met een historisch hoge hematocrietwaarde, was eerst en vooral een groot atleet en toegewijd wielrenner, en ver, ver daarna pas een groot apotheekbezoeker.

Het is ook niet chic om grote prestaties – meestal onbewezen – te kleineren met een verwijzing naar medische hulpmiddelen. De grootste amfetaminengebruiker van de Tweede Wereldoorlog was Winston Churchill, en nooit werden diens verdiensten onderuit gehaald met een verwijzing naar zijn dopeverslaving – en de fles whisky per dag. Wie kon het wat schelen? Winston had de oorlog gewonnen, en daar ging het om. Hoe hij zich al die jaren op de been had gehouden, interesseerde niemand. Dat de dopingbestrijders, de opperbestrijder Dick Pound van WADA voorop, de afgelopen tijd de indruk hebben gewekt dat er zoiets als pillen met winstgarantie zouden bestaan, is een grotere leugen dan Floyds ontkenning dat hij iets anders zou hebben genomen dan een paar biertjes.

Ik ben nooit zo naïef geweest dat ik meende naar een ‘schone’ sport te kijken. Waarbij ik het woord ‘schoon’ altijd zeer heb gewantrouwd. Want wat is de ‘schone sport’ waarover de boetepredikers van WADA het voortdurend hebben? Hebben de sportbestuurders niet zélf de sport het meest besmeurd met de wijze waarop ze haar als de eerste de beste hoer hebben verkocht aan televisie en reclame? Er kunnen, als het om bezoedeling gaat, geen tien Operacións Puerto op tegen de machinaties van deze inhalige jakhalzen.

Doping is de sportchefs pas gaan interesseren toen in Amerika dope en drugs op één hoop werden gegooid, de Amerikaanse adverteerders begonnen te vrezen voor imagoschade en druk begonnen uit te oefenen op televisie en sportbonden om in elk geval de illusie van schone sport in het leven te roepen.

De strijd tegen doping is een strijd tegen de dreiging van teruglopende televisieminuten, verminderde reclame-opbrengsten en opdrogende geldstromen. Met de gezondheid van sporters heeft het geen bal te maken. Daarvan hebben de bazen van de internationale topsport nooit wakker gelegen.

Bij voorkeur jagen ze wielrenners in regen en vrieskou van een spekgladde berg langs diepe afgronden – om ze vervolgens aan de finish vanwege hun gezondheid op dope te controleren.

Het dopinggedoe heeft mijn wantrouwen tegen sportbestuurders ernstig versterkt. En het heeft mijn overtuiging bevestigd dat een deel van de sportjournalistiek bestaat uit slaafse meelopers die alles opschrijven of uitzenden wat hen wordt gedicteerd, die alles geloven wat hen vanuit de hogere regionen van de sport wordt wijsgemaakt en die zelfs volledig bereid blijken actief mee te helpen in de handhaving van discutabele regels, alsof ze van de politie waren in plaats van de pers.

Maar daar valt wel mee te leven. Als je er de humor van leert inzien, draagt het zelfs bij aan je levensvreugde.

Hun geneuzel raakte in elk geval mijn liefde voor het wielrennen niet.

Wielrennen blijf ik de allermooiste sport vinden die er bestaat. Wanneer ze straks op de Muur van Geraardsbergen weer bezeten achter elkaar aanjagen, wanneer ze op de kasseien van Roubaix balanceren, wanneer Michael Boogerd in Luik-Bastenaken-Luik wéér gaat proberen te winnen – moge het eindelijk een keertje lukken –, wanneer ze van de Limburgse heuvels rollen en zich straks weer van top tot teen met hoop en illusie gevuld melden voor de start van Tour de France, dan zit ik weer in extase voor de televisie.

Vive le cyclisme!

En nooit vraag ik me af wat ze slikken. Het is niet alleen een nutteloze vraag, maar ook een onethische. Het gaat me niet aan, en het interesseert me ook niet. Het is een vraag voor domkoppen die interessant willen doen en die verder niks te melden hebben.

Het enige waarop ik hoop, is dat niet opnieuw een wielerseizoen zal worden gedomineerd door de dope en door de moraalridders die voortdurend over mijn scherm galopperen. Want daar krijg ik zo langzamerhand stevig de hik van.

Dat de mooiweer-volgers zijn afgehaakt en zich hebben teruggetrokken in hun moreel zalige gelijk, is een zegen. Lekker blijven zitten, jongens. En niet zeuren als het daar een beetje saai begint te worden.

Wielrennen is in al zijn rauwheid een sport voor romantische fijnproevers. Wielrennen is rock ’n roll, maar dan mét controles. Niets mooiers dan een peloton dat zich in gang zet onder de Vlaamse lentezon, op weg naar Meerbeke. Niets spectaculairder dan de kopgroep die zich in een wolk van stof in het Bos van Wallers gooit. Niets indringender dan de coureur die lijkt te sterven op de flanken van een hete berg of die zich opmaakt zijn concurrenten de doodsteek toe te dienen.

Soms is wielrennen lelieblank, soms inktzwart.

Wielrennen is een gevaarlijke minnares – wat wil je eigenlijk nog meer?

Let’s roll!