Verhalenarchief
 
De ondergang van een kameleon

Voorpublicatie uit De Muur 16

Ils sont fous!’, schreeuwde Régis me met overslaande stem toe, terwijl hij wanhopig trachtte het op hol geslagen peloton te volgen. De glazen van zijn Oakley konden de paniek in zijn ogen niet verbergen. Zijn handen omklemden het stuur zo krampachtig dat zijn knokkels wit uitsloegen. Van alle kanten werd hij gepasseerd, ook als daar op het eerste gezicht geen ruimte voor was. Ik zag zijn lippen prevelen, maar het schietgebedje werd overstemd door het gepiep van zijn hartslagmeter en de schurende remblokjes op zijn velg. De groep zwenkte naar links, onmiddellijk gevolgd door een bocht naar rechts. Een vluchtheuvel, geparkeerde auto’s aan de ene kant en bloembakken aan de andere. Gekraak, ineens, vlak voor ons. Spaken, fietsen, botten ook. Een rotonde. Scherp rechts weer. Natte putdeksels. Er werd geduwd, getrokken, gevloekt in verschillende talen. Een autospiegel sneuvelde. Ik ontweek enkele stoeptegels en een stuiterende bidon. Bij de volgende bocht keek ik om, op zoek naar mijn ploegmaat. Hij was nergens meer te bekennen. Gelost in de neutralisatie. Gefluit. Geschakel. Geschreeuw. Ik voerde nog een laatste maniakale inhaalmanoeuvre uit om een plekje te winnen. De wedstrijdleider zwaaide zijn vlag. We waren vertrokken.

Het geneutraliseerd vertrek in Nederlandse wedstrijden is een vak apart. Waarom een dergelijke manier van starten überhaupt geneutraliseerd wordt genoemd, is mij volstrekt niet duidelijk. Het woord doet vermoeden dat de koers nog niet is begonnen, de coureurs vreedzaam naar het punt van vertrek pedaleren en het slechts dient als warming-up voor de echte race. Als een gewapend bestand met Kerstmis in oorlogstijd. Vrede op aarde, respect alom.

In werkelijkheid blijkt het respect ver te zoeken, en de vrede nog veel verder. Een Nederlandse neutralisatie is pure oorlog. Het gevecht om de pole position achter de jurywagen is messcherp, mensonterend en meedogenloos. In tijden van oorlog gelden nog Geneefse Conventies die de soldaten beschermen tegen de schending van hun rechten; in tijden van neutralisatie gelden slechts de wetten van de jungle. Wie niet eet, wordt gegeten. Een peloton is een doodseskader, een kudde gnoes die een spoor van vernieling en gewonde soortgenoten achterlaat. Geen gnoe wil achteraan in het pak plaatsnemen, want elk kalfje krijgt van kleins af aan door ouders, ploegleiders en publiek de heilige dooddoener ingeprent: Naar Voren! In tegenstelling tot wielerwedstrijden in de rest van de wereld worden Nederlandse koersen namelijk niet beslist in de laatste meters, maar in de eerste. Op het moment dat de wedstrijdleider met zijn vlag zwaait en de jury-auto optrekt, begint eenieder te sprinten. Geen eindsprint, maar een beginsprint. De waaier vertrekt en niemand wil hem missen.

Ik vond Régis pas terug na de finish van de Hel van het Mergelland. Gedoucht en wel zat hij druk gebarend met de rest van mijn Franse ploeggenoten op een terras in de zon. Van honderd meter afstand was al duidelijk waarover ze het hadden; bij elke Nederlandse coureur die hen passeerde, werd het bekende cirkelgebaar rond de slaap gemaakt. Knettergek. Ik kon me hun houding indenken. Ook al was mijn eerste seizoen in Franse dienst nog niet lang geleden van start gegaan, ik had voldoende wedstrijden onder de mediterrane zon gereden om me te realiseren dat er een verschil van dag en nacht bestaat wat betreft de manier van koersen. En dan vooral in die van starten.

Geneutraliseerd starten in Frankrijk betekent precies wat de bedenker van het woord voor ogen had: vertrekken met de handrem erop. Geen vijandigheden, geen geduw, geen getrek, geen gevloek. De koers is nog niet echt begonnen, de afgelegde kilometers zijn voor spek en bonen. De neutralisatie wordt ook wel aangeduid als le fictif.

De kalmte van zo’n fictief vertrek staat in schril contrast met de commotie van een Nederlandse loopgravenneutralisatie. Zonder een spoortje van stress, nervositeit of spanning peddelt de bonte stoet met de handjes op het stuur naar kilomètre zéro. Er wordt gepraat en gelachen in plaats van gescholden en de renners die in de berm belanden, doen dat vrijwillig vanwege een sanitaire stop. Het peloton is een loom roofdier, dat zich op zijn elfendertigst voorbereidt op de jacht. Het gaapt, rekt zich uit, likt zijn vacht. Geduldig, want het weet dat de prooi pas op de eindstreep wordt gepakt.

De rust is besmettelijk. In mijn eerste Franse wedstrijd wierp ik mij nog als een rasechte Batavier met het mes tussen de tanden in de strijd, maar toen ik merkte dat niemand mij de plek aan de bumper van le jury bestreed, smolt mijn vechtlust als Zuid-Frans asfalt in de zomerhitte. Fluitend nam ik achter in het peloton plaats en genoot van het uitzicht, de behaaglijke warmte van de zon op mijn armen en de geur van de lavendel langs de weg. De Nederlandse stress, chaos en nervositeit leken ineens heel ver weg. Integreren is zo moeilijk niet.

Toen mijn ploegmaten mij in het vizier kregen, stonden ze op van hun stoelen en begonnen te klappen. Philippe sloeg een arm om mijn schouder en schreeuwde de andere terrasbezoekers in het Frans toe: ‘Dit, beste mensen, is een held. Een held ja!’ De overige ploeggenoten joelden en vervolgens werd ik bedolven onder schouderklopjes, aaien over mijn bol en complimenten. Tot mijn verbazing was mijn uitslag niet de reden van deze ontvangst, maar had ik de heldenverering te danken aan het feit dat ik me had weten te handhaven in de bloederige anarchie van de openingskilometers. Even twijfelde ik of ik zou vertellen dat ik bepaald geen specialist ben in neutralisaties, dat ik in de remmen knijp bij iedere schouderduw en het me dun door de broek loopt wanneer ik het geluid van brekende spaken hoor. Maar mijn status van held beviel me uitstekend en omdat het aantal wedstrijden per seizoen in Nederland op één vinger te tellen was, besloot ik mijn mond te houden. In het land der blinden is eenoog koning.

De neutralisatie begint in Nederlandse wedstrijden al ver vóór het startschot. Uren voor aanvang zie je al renners warmrijden, of beter gezegd: kokendheetrijden. Intervallen, Steigerungen, rekken, strekken, korte sprintjes, lange intensieve blokken: menig coureur legt de wedstrijdafstand reeds voor de start af. Vervolgens worden de warme en gerodeerde spierbundels geparkeerd bij de streep, alwaar de start wordt afgewacht. Dit opstellen geschiedt zo’n half uur voor het startschot, met als consequentie dat de temperatuur van de spieren ten tijde van de pistoolknal weer gedaald is tot vriesvakniveau. Zeker bij de openingsklassiekers van het jaar, waar de nervositeit het grootst is en de buitentemperatuur het laagst, leidt dit nog wel eens tot onderkoelingsverschijnselen.

Maar vroeg opstellen is een absolute must. Wie er niet op tijd bij is, staat achteraan. En wie achteraan staat, is de pineut. Het is vrijwel onmogelijk je naar de kop van het peloton te wringen binnen het korte tijdsbestek dat de neutralisatie over het algemeen beslaat. Zo af en toe slaagt een renner erin de hele groep te passeren dankzij een alternatieve route: door een tuin, over een belendend fietspad of over de stoep. Maar alternatieve routes zijn niet altijd sneller, en bovendien eindigen ze regelmatig in een aanvaring met een onoplettende toeschouwer of lantaarnpaal.

Een oud-ploegleider van me verwoordde het eens als volgt: ‘Wie vooran staot bie de start, staot niet achteraon.’ Zo is het maar net. Hij adviseerde ons dan ook om een uur voor de start plaats te nemen op de achterklep van de jurywagen. Je kunt er nooit te vroeg bij zijn. 

Gedurende de terugreis naar Zuid-Frankrijk bleef het onderwerp van gesprek. Naarmate de avond vorderde en eindbestemming Aix-en-Provence naderde, werden de bloederige verhalen over valpartijen, brekende botten en mislukte inhaalmanoeuvres sterker en sterker. De lengte van de Nederlandse coureurs steeg van 1.90 tot dik over de tweeënhalve meter en het tikje dat één van hen uitdeelde aan wegkapitein Olivier, veranderde van een lichte touché met de onderarm (binnenrijden Luxemburg) via schouderduw (ringweg Lyon) in een regelrechte kopstoot (tien kilometer voor Aix).

Nicolas vertelde in geuren en kleuren over open botbreuken en de opspattende bloedspetters op zijn brillenglazen en Régis deed nog maar eens uit de doeken hoe hij het voor elkaar had gekregen al in de neutralisatie te lossen. Hij bleek een paar Nederlanders te zijn gevolgd, die over een parallel lopend fietspad het peloton trachtten te passeren. Het fietspad boog af naar links en de stoere kaaskoppen hadden hun fiets handig over de tussenliggende greppel heen gewipt. Die greppel was minstens een meter breed - volgens Régis - en hij had niet genoeg durf (of teveel hersenen) om de actie van de Nederlandse renners te imiteren. Dus moest hij lijdzaam toezien hoe het peloton rechts van hem uit het zicht verdween. Zijn koers had niet langer dan een minuut of vijf geduurd. Dat is nog minder dan de tijd die hij nodig had gehad om van de kleedkamer naar de startstreep te peddelen.

Een warming-up voor de start is ook in het zuiden een vast ritueel. De renners zijgen neer op een terrasje en laten vervolgens de zon zijn werk doen op de gebruinde benen. Dit proces gaat vergezeld van het drinken van koffie, vaak zo sterk dat je lepeltje er rechtop in blijft staan.

Ondanks deze caffeïnestoot blijft de ambiance opvallend rustig. Niemand lijkt zich druk te maken over de wedstrijd die elk moment aanvangt. Tijd is dan ook een rekbaar begrip. Ik heb zelden meegemaakt dat een koers daadwerkelijk op het vooraf vastgestelde tijdstip op gang werd geschoten.

Men spreekt over een mediterraan kwartiertje, een uitstel van een vijftiental minuten. Of meer. Hoe zuidelijker je trekt, richting Spanje, hoe buigzamer dit kwartiertje wordt. In de buurt van Barcelona passen twintig minuten in een kwartier, bij koersen rond Málaga kun je gerust uitgaan van een half uur vertraging. En dan nog zijn er renners, ploegleiders en juryleden die erin slagen de start te missen. Dat is geen onoverkomelijk probleem. De hele stoet houdt bij het officiële vertrekpunt, kilometer nul, opnieuw halt.

In tegenstelling tot Nederlandse wedstrijden, waar men de nulkilometer rijdend passeert en de optrekkende jurywagen het sein is voor de beginsprint, pleegt men in Frankrijk en Spanje het voortkruipende peloton te stoppen bij het bord ‘einde neutralisatie’. Vaak wordt dit oponthoud gebruikt voor een massaal bermbezoek: de sloot koffie drukt op de blaas. Misschien is het in het kader van de bermflora en –fauna niet erg milieubewust, maar het blijft een indrukwekkend gezicht om een honderdtal renners, ploegleiders en juryleden hun behoefte te zien doen in de vrije natuur.

Wanneer de koers vervolgens opnieuw vertrekt, is het verschil met het fictieve deel aanvankelijk amper merkbaar. Het peloton trekt zichzelf in gang als een boemeltrein: met een hoop gepiep en gekraak.Vrijwel iedereen schikt zich zonder mokken in het langzame aanvangstempo. Een lome kalmte ligt als een verstikkende deken over het peloton. De onvermijdelijke confrontatie met de tegenstand en de eigen limieten wordt uitgesteld.

Natuurlijk is er altijd een idioot die deze status quo verstoort met een nutteloze demarrage.

Vooral Spanjaarden lijken zich in zelfmoordaanvallen te specialiseren. Met volle overgave bestoken ze het peloton met versnellingen, tot ze alleen over zijn en vervolgens solo de laatste tweehonderd kilometer naar de finish mogen overbruggen. Ik dacht altijd dat harakiri een Japanse uitvinding was, maar inmiddels ben ik er heilig van overtuigd dat deze vorm van suïcide naar het Verre Oosten is gebracht door een Spaanse ontdekkingsreiziger.

De coureur die met een vroege demarrage de vijandigheden opent en als eerste de confrontatie met zichzelf en de concurrentie zoekt, wordt gezien als een paria en als zodanig behandeld door de rest van de groep. Er zijn twee scenario’s mogelijk: het peloton laat hem begaan en laat hem in zijn eentje in de wind harken, of er volgt onmiddellijk een reactie om de aanvaller tot de orde te roepen. Vooral in het laatste geval krijgt het buitenbeentje het zwaar te verduren op het moment dat hij teruggepakt wordt. Terwijl hij wegzakt in de groep, maakt vrijwel iedereen hem attent op het vermeende beroep van zijn moeder en/of zus.

Ik heb altijd een beetje te doen met dit soort renners. Ze attaqueren zo vroeg mogelijk om de serieuze aanvallen voor te zijn, hopend op een onmogelijke, maar glorieuze solo-overwinning. Tactisch en sociaal gezien zal het misschien niet verantwoord zijn, maar ze tonen tenminste lef en dat kan ik wel waarderen. Maar ik ben dan ook een Nederlander, opgevoed in koersen waar iedereen tegelijk als eerste aanvalt.

Ook gedurende de gezamenlijke trainingen in de week na de Hel van het Mergelland bleef de Nederlandse wielerguerilla de gemoederen van mijn Franse ploeggenoten bezighouden. Zonder uitzondering waren ze compleet verrast door de houding van de blonde noorderlingen. Ondanks mijn waarschuwingen vooraf bleken hun ervaringen ernstig te vloeken met het beeld dat ze hadden van de gemiddelde Nederlander. Het imago van tolerante, blowende, multiculturele koeienmelkdrinker lag aan diggelen. En de scherven werden aan iedereen getoond als ware het de overblijfselen van Etruskische vazen in een museum.

De leden van de vaste trainingsgroep die niet aanwezig waren bij het bezoek aan Limburg, kregen zonder uitzondering te horen dat het mythische marihuanaparadijs in werkelijkheid een vagevuur van stress en spanning was. Het poldermodel, dat van veraf zo mooi leek, bleek van dichtbij een travestiet met haar op de benen en een wrat op de neus.

Ik zat er niet mee dat mijn ploeggenoten hun beeld van Nederland en zijn inwoners uit elkaar hadden zien spatten. Of we nu het imago hebben van snuivende hoerenlopers of overspannen stresskippen, is me om het even. Bovendien was het me in de eerste weken in Frankrijk al duidelijk geworden dat de gemiddelde Fransman zo koppig en eigenwijs is als het vooroordeel doet vermoeden. Je kunt ze nog zoveel over je vaderland proberen te vertellen, ze wijken geen haarbreed af van hun aanvankelijke denkbeelden. Wat wist ik nu over Nederland?

Van groter belang vond ik dat de confrontatie tussen wielerculturen in de Limburgse heuvels me had gewezen op de verschillen. Ik besefte dat starten met een Franse laissez-faire-instelling in een Nederlandse wedstrijd fatale gevolgen had. Ik moest lachen om de onschuld van mijn ploegmaten, die zich als nietsvermoedende lammeren afvroegen waarom al die rare kaaskoppen toch als malloten aan het warmrijden waren. In feite was de wedstrijd al vertrokken voordat ze zelf op hun fiets waren geklommen. De koers was vóór de start verloren en mijn Franse medecoureurs dienden slechts als kanonnenvlees voor de noorderlijke artillerie. Afgeslacht door hun eigen onschuld. Want op je dooie gemak vertrekken in een Nederlandse koers is net zo naïef als een eend die zijn verenkleed eens rustig gaat bijwerken in de krokodillenvijver van Artis.

De nervositeit van de start van de Hel van het Mergelland had zijn uitwerking op mijn ploegmaten niet gemist. In de eerstvolgende wedstrijd aan de Côte d’Azur stonden ze bij de start als een stel briesende paarden te trappelen achter de jurywagen. Nog voordat we het bord van kilomètre zéro hadden gepasseerd, waren er al twee gevlogen. Het had een spetterende opening tot gevolg. Na tien kilometer van totale anarchie had zich een kopgroep van zeven man gevormd met daarin naast mijzelf vijf ploeggenoten. De zevende man was een Spanjaard, die bij zijn vroege aanval ongetwijfeld een suïcidale solo in gedachten moet hebben gehad en zich tot zijn verbazing in een ploegentijdrit terugvond. Hij weigerde dan ook elke vorm van medewerking, deels vanwege onze numerieke overmacht, deels vanwege zijn angst voor de bezeten blik in onze ogen.

Aanvankelijk leek de coup te slagen. De chaos die onze massale verrassingsaanval in het peloton teweeg had gebracht, zorgde ervoor dat we binnen de kortste keren een voorsprong van anderhalve minuut hadden opgebouwd. Wanneer de streep na vijfentwintig kilometer zou zijn getrokken, hadden we een glorieuze overwinning kunnen vieren. Maar de wedstrijd was hondertachtig kilometer lang en dat bood de ploegen die de slag hadden gemist (dat wil zeggen: het hele peloton minus wijzelf en de Spanjaarden) uitgebreid de kans de zaken recht te zetten.

En zo geschiedde. Achter ons sloeg men de handen ineen. De coalitie liet ons nog enige tijd ‘zwemmen’ en een dikke veertig kilometer voor de finish werden we teruggepakt, aan de voet van de zwaarste klim van de dag. Op het moment dat de weg begon te stijgen, ontwaakten de favorieten uit hun winterslaap en bij de eerste versnelling werd ik genadeloos gelost, tezamen met mijn vijf ploegmakkers. Het resultaat van onze Nederlandse start was derhalve vrij karig: we moesten allemaal passen voordat de finale goed en wel begonnen was en bovendien hadden we de toorn van het hele peloton over ons afgeroepen vanwege de ‘asociale’ manier van starten.

De cirkel was rond. Van start gaan met de Franse slag in een Nederlandse wedstrijd had geleid tot een slachtpartij; met een Nederlandse instelling vertrekken in een Franse koers stond eveneens gelijk aan een enkeltje abattoir. Ik kwam tot de conclusie dat er niets anders opzat dan me aan te passen aan de lokale wetten van het peloton. Agressief in het noorden, tranquilo in het zuiden. Meewaaien met de wind als de sleutel naar succes.

Een peloton is niets anders dan een groep individuen. Maar een individu handelt in een groep volledig anders dan dat hij dat afzonderlijk zou doen. Noem het socialiseren, meeloperij of aanpassing aan de omgeving: het komt vrijwel allemaal neer op groepsgedrag. Vaak is dit gedrag niet veel anders dan het kopiëren en imiteren van elkaar en elkaars handelingen. Kijk naar het uiterlijk van de coureurs. Aan hun uitdossing is al af te leiden uit welk land ze afkomstig zijn. Een dikke gouden oorbel à la Jan Ullrich: Duitsers. Vaak in combinatie met een coupe soleil. Fransen rijden zonder uitzondering met de sokken hoog opgetrokken (sommigen zelfs met voetbalkousen) en Spanjaarden gaan allemaal naar dezelfde kapper, die blijkbaar houdt van een matje in de nek.

Ook gedrag wordt gekopieerd. Deze vorm van papegaaien kan zich vertalen in agressie, spanning en nervositeit, zoals in de Nederlandse koersen. Er hoeven maar twee of drie zenuwpezen in een peloton te zitten om al tijdens de neutralisatie de vonk te doen overslaan. Een paar scheldwoorden hier, een duwtje daar, een kleine valpartij misschien: het is genoeg om een groep kalme fietstoeristen te transformeren in een bende oorlogszuchtige fietsfundamentalisten. Als lemmingen volgen, verdringen en vertrappen ze elkaar.

De luiheid, de lethargie en de schijnbare desinteresse die de manier van starten in mediterrane landen kenmerkt, is net zo goed een vorm van groepsgedrag. Traditie en cultuur schrijven voor dat kalm gestart wordt en iedereen dient zich te conformeren. Geen geduw en getrek in de strijd om de beste plaatsen, maar een soort wapenstilstand. Of uitstel van executie; het is maar hoe je het wilt noemen.

Valpartijen kunnen niet alleen worden vermeden door koste wat kost vóór in het pak te rijden, je kunt er ook voor kiezen helemaal áchterin post te vatten. Zo heb je uitgebreid de tijd om te reageren op eventuele buitelingen, ongelukkig geparkeerde auto’s en overstekende honden. Voorwaarde is wel dat de koers niet direct na de start in een beslissende plooi valt als je gezellig achterin het peloton zit te leuteren. Het bestaan van een stilzwijgende afspraak om niet te dringen en de koers kalmpjes aan te vatten biedt de heren kletskousen de tijd en ruimte voor hun theekransje op de fiets.

De overrompelingstactiek van mijn ploeg bleek wegens gebrek aan succes eenmalig. Om de gratie van de groep terug te winnen stelden we ons de wedstrijden na onze blitzaanval extra sociaal op. Dat wil zeggen: nog luier, lomer en slomer dan normaal. Zonder enige vorm van  initiatief kuierden we de eerste uren van de koers in de achterste gelederen van het peloton, met de handjes op het stuur en de broekspijpen ietwat opgerold om de contourstreepjes van de zon op onze dijen weg te werken. We foeterden overdreven luid op de teruggepakte aanvallers van het eerste uur en probeerden her en der uit te leggen dat onze actie veroorzaakt was door het bezoek aan Nederland.

Onze verzoeningspogingen bleken succesvol. Aanvankelijk werden we nog met de nek aangekeken, maar na enige tijd werden we dankzij onze goede bedoelingen weer opgenomen in de groep. Dit vertaalde zich onmiddellijk in de uitslagen. Gedurende de tijd dat we werden gezien als outcasts, kwamen we in de finale keer op keer vrienden tekort. En je kunt over nog zulke goede benen beschikken, als iedereen tegen je koerst, heb je aan je goede benen net zoveel als aan een paar klapschaatsen in de Sahara.

De tijd heelt alle wonden en toen duidelijk werd dat onze aso-aanval slechts een incident was, begon de zegeteller weer als vanouds te tikken. Als je wint, heb je vrienden: het is een waarheid als een koe. Het omgekeerde is minstens zo veelzeggend: als je vrienden hebt, win je.

De periode die ik nodig had om de gejaagdheid van me af te schudden en me volledig aan te passen aan de zuidelijke gebruiken, was verbazingwekkend kort. Aanvankelijk voelde ik me nog enigszins schuldig wanneer ik me het eerste wedstrijduur in de buik van het peloton verstopte. Met elke koers nam dit gevoel verder af. Daarnaast begon ik ook andere gewoontes van mijn mediterrane collega’s over te nemen. De koffiewarming-up bleek te verleidelijk. Voordat ik naar Frankrijk vertrok, lustte ik überhaupt geen koffie, maar mijn transformatie van koffiegeheelonthouder tot espresso-verslaafde duurde welgeteld twee weken.

Mijn benen bleken de nieuwe vorm van opwarming eveneens op prijs te stellen. Tijdens mijn Nederlandse jaren waren ze al niet overtuigd van het nut om op temperatuur te komen vóór de wedstrijd; de motivatie voor een actieve warming-up zakte onder de lome warmte van de Zuid-Franse zon tot ver beneden het nulpunt. Het nuttigen van een kopje koffie vormde het ideale alibi om ze te parkeren op de zetels van het dichtstbijzijnde terras.

Mijn snelle assimilatie werd door mijn ploeggenoten bijzonder gewaardeerd. Het koffieritueel bleek naast de opwarmende factor nog een veel belangrijkere reden te hebben: het bevorderen van de teamspirit. Ik geloof best dat de militaristische survivalkampen van Bjarne Riis bij CSC de eenheid binnen de ploeg bevorderen, maar persoonlijk prefereer ik een ietwat minder veeleisende manier. Daarnaast lijkt het me vrij lastig een goed gesprek met een nieuwe ploegmaat aan te knopen, terwijl je van een brug gegooid wordt of in het holst van de nacht de weg terug naar je iglo moet zien te vinden. Een terras in de zon is de uitgelezen plek om lui achterover te hangen in je stoel en de essentiële zaken in het leven met elkaar te bespreken: de koers, de vrouwen en de verrichtingen van Olympique Marseille. Mijn Frans ging er met sprongen op vooruit en omdat ik regelmatig de rekening betaalde en mijn prestaties op de fiets tot de verbeelding spraken, was ik in no-time opgenomen in de groep. Fransman onder Fransen. Vooral het gezamenlijk kankeren op de hordes roodverbrande Nederlandse toeristen gaf me het gevoel van een geslaagde integratie.

Op mijn eerste jaar in Frankrijk volgde een tweede. Het seizoen erop vertrok ik naar nog zuidelijker oorden en ging rijden voor een Spaanse ploeg. De gezapige opwarmrituelen, de kalmte van de start en het kabbelende koersbegin waren inmiddels volledig ingeslepen in mijn systeem. De stress en de gejaagdheid van de Nederlandse wedstrijden leken een eeuwigheid geleden, scheld- en valpartijen tijdens de neutralisatie slechts een vage herinnering uit een vorig wielerleven. Natuurlijk was ik nog steeds de trotse bezitter van een Nederlands paspoort en uiteraard liep ik nog altijd rond in een oranje onderbroek en klompen tijdens grote voetbaltoernooien. Maar op het moment dat ik mijn fiets besteeg, veranderde ik in een Fransman of Spanjaard. Alles in mij ademde zuidelijke sferen. Ik slurpte aan mijn sterke koffie als een fransoos en stelde mij minimaal een kwartier te laat op aan de startstreep als een spanjool. Ik vloekte in het Sprans wanneer een wieltjesplakker op mijn bagagedrager zat, ik dacht in het Fraans over wat ik zeggen zou tegen de speaker wanneer ik meende de overwinning op zak te hebben. En uiteraard startte ik als een volbloed mediterraan. Rustig.

Mijn Nederlandse wielerleven was vrijwel onbestaand. Gemiddeld woonde ik een maand of twee in het hoge noorden, waarvan ik er één doorbracht zonder fiets, direct na afloop van het seizoen. De daaropvolgende eerste trainingsmaand was altijd de meest zware van het jaar. Niet alleen door de matige conditie, maar vooral door het noordpoolklimaat hier te lande. Van opwarming door het broeikaseffect heb ik nooit wat gemerkt. De kou en de regen van de donkere wintermaanden sloopten me mentaal en fysiek meer dan een heel seizoen koersen in het zuiden. Daarnaast hing me de eentonigheid van het biljartlakenvlakke polderlandschap na een training of vier à vijf de keel uit. Het gemis van bergen en heuvels voelde alsof ik mijn geliefde had verloren.

Elke keer dat ik de Nederlandse winter achter me liet en naar het zuiden vertrok voor een nieuw jaar in buitenlandse dienst, slaakte ik een zucht van verlichting. Gedurende mijn Franse seizoenen kwam ik slechts zelden terug in Nederland. Eenmaal voor de Hel van het Mergelland, en eenmaal voor het Nederlands kampioenschap. Althans, zo lang het die titel waard was. Het parcours in Rotterdam trok mij zo weinig dat ik besloot van deelname af te zien en het laagvliegen in de Maasstad over te laten aan de heren sprinters. Zolang de enige beklimming in de koers die van de Brienenoordbrug was, zag ik het nut niet in van een reis  naar mijn vaderland en prefereerde ik wedstrijden rond de Middellandse Zee. Dan maar geen NK. Echter, bij het lezen van de uitslag, de dag nadien in L’Équipe op het terras van het café op de hoek, voelde ik diep van binnen iets knagen. Mijn afwezigheid op de lijst met namen onder het kopje Championnat National des Pays-Bas gaf me het gevoel een landverrader te zijn. Mijn Franse koffie smaakte ineens bitter.

Toen het nieuws mij bereikte dat de vlakke omloop van Rotterdam vervangen werd door een geaccidenteerd rondje in Maastricht, was het besluit om deel te nemen snel genomen. Afgelopen jaar keerde ik daarom midden in de zomer terug naar Nederland voor het kampioenschap.

Mijn voornemen om me als een kameleon aan te passen aan de omgeving en de nationaliteit van het peloton smoorde al voor de start van het NK in goede bedoelingen. Na een – zeker gezien zuidelijke maatstaven – bijzonder serieuze warming-up begaf ik mij een halfuur voor het startschot richting streep, in de vaste overtuiging dat ik mijzelf op de eerste rij zou kunnen opstellen. Het bleek een illusie. Tweehonderd man had zich reeds vóór mij geparkeerd en er zat niets anders op dan als laatste aan te sluiten.

Met verbazing keek ik naar mijn medecoureurs. Snuivend als wilde stieren die klaar staan om losgelaten te worden op een stel torero’s met rode lappen, boezemden ze me angst in. De lucht was zwanger van spanning. Nervositeit. Stress. Niemand sprak. Ik zag het kippenvel op de benen van de renners voor me. Iemand kokhalsde. Gezonde wedstrijdspanning noemt men dat, om het adrenalineniveau reeds voor de start op te schroeven. Maar hoe hard ik ook probeerde, ik slaagde er niet in dezelfde zenuwen als mijn collega’s op te wekken. Ik kon mijn lichaam niet aan het verstand brengen dat het zich klaar moest maken voor een storm, gewend als het was aan een kalm briesje.

Het vroege opstellen keerde zich tegen me. De tijd leek te kruipen en de verveling sloeg toe. Langzaam droomde ik weg en verloor ik het laatste restje concentratie. Pulkte wat aan mijn stuurlint. Geeuwde. Praatte uitgebreid met enkele toeschouwers, een journalist en een jurylid. Wanneer het startschot klinkt, ontwaak ik. De storm die losbarst blijkt een orkaan. 

Binnen enkele seconden ligt het peloton op volle snelheid. Dranghekken, toeschouwers en verkeersborden schieten langs me heen. Een bocht. Links. Rechts. Steentjes. Een chicane. Putdeksels. Een knipperend stoplicht midden op de weg. Geschreeuw. Gekraak. Links van me smakken er een paar tegen het asfalt. Iemand trekt aan mijn schouder. Een stuur raakt het mijne. Ik rem. Vloek. Paniek klinkt in mijn stem. Ik omklem mijn stuur zo krampachtig dat mijn handen pijn doen. Een versmalling. Renners passeren me op enkele centimeters van de afrastering. Ik schreeuw. ‘Ze zijn gek!’ Niemand hoort me.